Schilderijen, tekeningen - kasteelschaesberg.nl

Kasteel Schaesberg ......         met een kwinkslag
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Schilderijen, tekeningen


Schilderijen en tekeningen P. Dautzenberg uit Schaesberg






Tekening van 20 april 1969








0000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000
Kasteel Schaesberg geschilderd door Juup Dautzenberg, Heerlen


oooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooo

Schilderijen en tekeningen Joke Dreessen-Dautzenberg, BRUNSSUM


1985 Schilderij Kasteel Schaesberg



November 1986 Schilderij Leenderkapel



1985 Schilderij Kasteel Schaesberg


Omstreeks 1964 Schilderij Leenderkapel 

1985 Schilderij Kasteel Schaesberg




Meisje uit Meezenbroek, 1967
0000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000


Schilderijen Chris Giebels

















0000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000
Verhalen en schilderijen van C.P. Giebels
 
Mijn weg
Hoe vaak hebben we hier als kinderen argeloos gespeeld, op de gelige zandweg die vanuit de nieuwbouwwijk Meezenbroek naar het oude kasteel van Schaesberg leidde? Hoe konden wij toen weten dat ooit, over ditzelfde pad een indrukwekkende stoet getrokken is, waarover streekbewoners nog jaren later, misschien zelfs eeuwen, bleven praten? Totdat die bijzondere gebeurtenis in onze tijd uiteindelijk in vergetelheid raakte. Bijna althans.
Daarom vertel ik dit verhaal. Opdat we niet vergeten. Nu niet, nooit niet.
We laten het zandpad even links liggen en nemen eerst een kijkje in een welvarende en machtige stad die in verre landen lucratieve oorlogen voert, maar zelf niet door krijgsgeweld geteisterd wordt. Integendeel, men bouwt hier nieuwe en vooral hoge pakhuizen.
We zijn in Amsterdam en zien hoe een jonge man, met een houtskoolstift in de rechterhand en een schetsboek opengeslagen in zijn schoot, zich vergaapt aan een huiveringwekkend tafereel dat zich pal voor zijn ogen afspeelt. 
Slechts op een paar meter afstand van hem wordt het lijk van de 41-jarige misdadiger Aris Kind op de snijtafel van de vermaarde dokter Nicolaes Tulp vakkundig opengesneden.
De veelbelovende maar op dit moment nog volstrekt onbekende schilder Rembrandt van Rijn heeft op deze ijskoude januaridag plaats genomen op de publieke tribune van het Amsterdamse chirurgijnsgilde. Vandaag is hij getuige van een ‘openbare ontleding’, een macaber schouwspel dat eens per jaar op ter dood veroordeelde misdadigers wordt uitgevoerd. De kennis die hier door chirurg Tulp wordt opgedaan levert onmisbare inzichten op voor de ontwikkeling van het medisch vak. Daarover is iedereen het eens. Maar mag je zo met een mensenlichaam omgaan?
Het kan anders. In datzelfde koude voorjaar van 1632 betuigt een man, nog in de bloei van zijn leven, de laatste eer aan het gestorven lichaam van zijn moeder. Zoals dat hoort. Terwijl hij liefdevol haar handen streelt, die men vroom en met een rozenkrans omwikkeld in haar schoot gevouwen heeft, wordt de man door schuldgevoelens geplaagd. Johan Frederik van Schaesberg heeft zijn moeder, in de laatste jaren van haar leven, amper meer gezien. Zijn tomeloze ambities, diplomatiek talent en briljante denkvermogen hebben de carrière van de jonge baron voortgestuwd. Zijn geluk kon niet op: schatrijk werd hij toen hij, in 1621, de 14-jarige maar zeer vermogende erfdochter Ferdinanda van Wachtendonck huwde. En aan het hertogelijk hof van Gulik is zijn ster rijzende; hij is inmiddels de vertrouweling van de emotioneel zeer labiele hertog Willem Wolfgang die in de streng-katholieke baron Johan Frederik van Schaesberg niet alleen een betrouwbare en bedachtzame raadsheer ziet, maar misschien zelfs een broer.
Broederliefde komt de hertog tekort. Met zijn echte broers voert de man heftige oorlogen.
Johan Frederiks voorspoed heeft een schaduwzijde en hem stilaan onttrokken aan zijn geboortestreek en dus ook aan zijn moeder. Haar dood kwam volstrekt onverwacht en het doet hem extra verdriet dat zij gestorven is op een manier die ze als diepgelovige katholiek verafschuwde: zonder dat haar de laatste sacramenten, bij leven, konden worden toegediend. Nu ligt zijn moeder hier, in deze koude kamer, volgens oud gebruik opgebaard in het nachthemd dat ze ooit gedragen heeft in haar eerste huwelijksnacht. Morgen zal ze wederom met haar man verenigd worden, onder een koude, marmeren grafplaat in de Heerlense Pancratiuskerk. Onder die steen zullen ze gezamenlijk wachten op hun wederopstanding. Daarin gelooft de jonge baron rotsvast.
Nu staat Johan Frederik op en loopt voorzichtig naar het raam. Door het beregende glazen venster ziet hij, in de verte, op een eenzame heuvel, het oude Leenderbos liggen. Wanneer komt eindelijk de lente? De bomen smachten naar hun bladgroen en strekken de takken verwijtend naar de hemel.
Een oude herinnering dringt zich bij het raam aan hem op: hij heeft als kind daarginds, in een eeuwenoude boom, een keer de nacht doorgebracht. Of is het een hersenspinsel, een oude droom of nachtmerrie wellicht, die ineens tot leven is gekomen in zijn vermoeide brein?
Normaal lopen deze verschoppelingen altijd achteraan, maar nu zijn de rollen omgekeerd. In de begrafenisstoet van Maria van Binsfeld, de zojuist overleden Vrouwe van Schaesberg, vormen ze de kopgroep. Voor de armen uit de regio is het een uitgesproken buitenkansje; ze mogen vandaag, zoals gebruikelijk bij een fatsoenlijke adellijke begrafenis, voorin de uitvaartstoet lopen. Na afloop krijgen zij dan een gratis maaltijd, rogge en mogelijk een paar duiten.
Vlak achter deze arme wegbereiders, loopt eerst een stoet van schoolkinderen en direct daarna een twintigtal minderbroeders, paters Kapucijnen, die speciaal voor deze gelegenheid uit Aken zijn overgekomen. Met hun bruine pijen, helderwitte koorden om het middel met drie knopen erin, en vooral hun indrukwekkende, puntige monnikskappen - die zij bij dit soort gelegenheden diep over het hoofd getrokken dragen - zullen de Kapucijnen ongetwijfeld een verpletterende indruk maken op de vele toeschouwers langs de route naar de Pancratiuskerk in Heerlen. Samen met de armen en de onschuldige kinderen, die op het zandpad voor hen uitlopen, zullen ze de kier van de hemelpoort voor de overledene openen. Want God is de armen welgevallig.
Met hun gebeden en gezangen zullen de paters Maria van Binsfeld, de moeder van de baron, aanbevelen bij haar Schepper. Maar onder hun monnikskappen verscholen verheugen ze zich, in stilte, op de aardse beloning die zijzelf na afloop van deze dag mogen ontvangen: drieënhalve liter bier. Per persoon.
Met een groot gevoel voor adellijke traditie en dus met veel uiterlijk vertoon, is de begrafenisstoet volgens een strikt protocol samengesteld. De in de streng-katholieke leer opgevoede Johan Frederik weet precies hoe het hoort. De processie wordt een vertoon van katholieke almacht, passend bij het Ware Geloof, zijn stand en enorme rijkdom.
Na de armen, de kinderen en de Kapucijnen die de weg naar de hemel moeten banen, volgt een groep van gerechtsdienaren en ingezetenen van de heerlijkheid Schaesberg. Zij zullen 24 kaarsen in kruisvorm dragen om daarmee de wederopstanding van de ziel van hun kasteelvrouwe uit te beelden.
Vlak daarachter loopt, in een pikzwarte kazuifel, pastoor Goswinus Batson die sinds 1620 zielenherder is van de Heerlense parochie. Zijn kerk, gewijd aan de heilige Pancratius, is al honderden jaren de grafkerk van het aanzienlijke geslacht Van Schaesberg. Daar is hij met recht trots op want iedereen weet dat deze familie rechtstreeks afstamt van de Hertogen van Limburg en daarmee van de legendarische Karolingers. Bovendien brengt de overledene, waarvoor in de nabije en verre toekomst de nodige herdenkingsdiensten gehouden zullen worden, veel muntgeld in de parochiekas. Het zielenheil van zijn dierbare moeder is de nieuwe Heer van Schaesberg namelijk veel waard.
Na de trotse pastoor van Heerlen volgen drie groepen van ieder acht mensen die allen een grote, brandende fakkel dragen: de eerste groep bestaat uit de pachters van de verschillende boerderijen op het landgoed, vervolgens komen de schepenen en daarna de particuliere secretaris van het kasteel met alle huisdienaren. De schout van het dorpje Scheydt loopt moederziel alleen en torst het eeuwenoude wapenschild van het nobele geslacht. Uit de heraldische symbolen op het schild, drie bollen en een barensteel, blijkt de innige relatie van de Van Schaesbergs met de Limburgse Hertogen.
Pas daarna verschijnt eindelijk het adellijk gezelschap zelf in beeld. In kostbare en zwart omfloerste draagstoelen, zien we eerst de Heer van Schaesberg, Johan Frederik in eigen persoon, en daarna zijn naaste familieleden, zoals daar zijn Henrich Waldbott, de neef van zijn moeder en de oppermachtige Heer van Königsfeld; de nog maar tienjarige Jan Adolph baron van Imstenraedt die ook Heer van het kasteel Mheer is; Hendrik vanden Berghe, Heer van Ubach genaamd ‘Trips’; Stephanus van Eijnatten, de Heer van Reimersbeek en Nuth; en de jonker van het Hoenshuis.
Daarna volgen nog talrijke kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, onder wie abt Balduin van Wallum, die door de Koning van Spanje hoogstpersoonlijk in zijn ambt benoemd is. Hij leidt het beroemde klooster van Rolduc en staat bekend als een innovatieve man die de exploitatie van steenkolen in het Wormdal gemoderniseerd heeft. De abt heeft een schoepenrad in het riviertje de Worm laten bouwen, waardoor het grondwater uit de mijn weggehouden kan worden. Hierdoor kan men, nog dieper in de grond, naar kolen graven. Balduin is een echte, pronkzieke bouwheer die veel in het werk stelt om de oude middeleeuwse kloostergebouwen van zijn abdij te herstellen en te verfraaien. En overal laat hij zijn naam in de stenen beitelen. Zelfs in de nieuw gegoten bronzen klokken staat zijn naam herhaaldelijk gegraveerd.
Het is de mode van die tijd, waaraan zowel kerkelijke als wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders zich helemaal overgeven. Terwijl de plattelandsbevolking, uitgedund door het krijgsgeweld van de Tachtigjarige Oorlog, verpaupert en honger lijdt, bouwt de elite het ene na het andere paleis. Ze laten daarbij geen gelegenheid voorbijgaan om hun eigen naam, gebeiteld in steen, te vereeuwigen.
Maar terwijl die indrukwekkende stoet daar, dwars over de velden, over de gelige zandweg naar Heerlen optrekt, beraamt in het verre Holland de vermaarde stadhouder Prins Frederik Hendrik van Oranje, bijgenaamd ‘de Stedendwinger’, een veldtocht naar het verre Limburg, waardoor nog in datzelfde jaar, in 1632 dus, niet alleen de steden Venlo en Roermond, maar vooral ook de hoofdprijs van deze oorlog, de stad Maastricht, in Hollandse handen valt.
Daar weten de deelnemers aan deze uitvaartstoet op dit moment niets van: noch de zelfgenoegzame, rijke prelaten en aristocraten achterin de stoet, noch de armoezaaiers die voor hen uitlopen of langs de kant van de weg staan. Niemand weet welk noodlot hen boven het hoofd hangt.
Neem nou pastoor Goswinus van de Pancratiuskerk. Terwijl hij nu in de stoet vroom zijn gebeden prevelt, heeft hij geen vermoeden van zijn droeve lot: dat hij nog geen vier jaar later, genoodzaakt door het oorlogsgeweld, op de vlucht zal slaan; dat hij moet onderduiken en zijn parochie aan haar lot over moet overlaten. Waarna Goswinus voorgoed uit de wereldgeschiedenis verdwijnt, domweg omdat niemand weet waar hij gebleven is.
Net zomin kan de rijke en bouwzieke abt van Rolduc, Balduin van Wallum, bevroeden dat hij nog maar vier jaar te leven heeft. En dat zijn klooster, de abdij van Rolduc, pal na zijn overlijden door zijn medebroeders verlaten zal worden. Uit angst voor het krijgsgeweld.
Op deze maartse dag van het jaar 1632 heeft niemand hier weet van en lijkt alles, maar dan ook alles, te draaien om deze stoet die zich langzaam maar zeker in de richting van Heerlen beweegt. Maar klopt dat beeld wel? Is de landweg tussen kasteel Schaesberg en de Pancratiuskerk werkelijk het centrum van de kosmos?
Want precies in het jaar onzes Heren 1632 bewijst de Italiaanse wetenschapper Galileo Galilei het Godsonmogelijke: dat de zon niet om de aarde draait, maar de aarde om de zon. Vanaf dat moment zijn we met zijn allen, voor eeuwig, onze centrale positie in het universum kwijtgeraakt.
Naschrift:
De veroveringstocht van prins Frederik Hendrik, waarbij de Limburgse steden Maastricht, Sittard, Roermond en Venlo veroverd werden heeft niet alleen grote gevolgen gehad voor de deelnemers aan de begrafenisstoet van Maria van Binsfeld. Omdat Limburg vanaf dat moment onderdeel werd van Nederland, zijn veel generaties van Limburgse kinderen niet in het nabijgelegen Aken, Luik of Leuven gaan studeren, maar in 'Holland'.
Ook ik dus.

oooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooo

C.P. Giebels -  De laatste der Mohikanen

Zit hij ermee in zijn maag, of verheugt hij zich op het schrijven van dit waargebeurde verhaal? De Schaesbergse historicus Jan Jakob Jongen is een man van statuur. Hij wordt tot in de verre omstreken ‘de professor’ genoemd alhoewel hij dat helemaal niet is. Maar 'professor' Jongen is inderdaad zeer geleerd en schrijft, altijd na eerst grondig onderzoek te hebben gedaan, gedegen verhalen over de historie van zijn geboortestreek.
Er zijn op dat moment in de Mijnstreek niet zoveel mensen die zich met het verleden, of met het behoud van kwetsbare monumenten, bezig houden. De Mijnstreek bloeit en groeit en is opgenomen in de vaart der volkeren. Iedereen staat met zijn rug naar het verleden en kijkt naar de toekomst.
Jan Jakob Jongen ziet zichzelf misschien als de laatste der Mohikanen. Hij woont in het dorp Schaesberg en moet met pijn in het hart toezien hoe de stadsuitbreidingen van Heerlen het oude landschap van zijn jeugd langzaam maar zeker verwoesten. De mijnwerkersstad rukt onbedwingbaar op en dreigt het landelijke Schaesberg te verzwelgen. Vooral de plannen om vlakbij het oude kasteel van Schaesberg de nieuwbouwwijk 'Meezenbroek' te bouwen verontrusten hem zeer.
Jongen staat nu, anno 1953, op het punt een nogal gewaagd verhaal te publiceren dat hem waarschijnlijk niet in dank zal worden afgenomen door de oppermachtige Katholieke kerk en de regionale elite. Maar Jan Jakob is niet bang, hij heeft per slot van rekening concentratiekamp Buchenwald overleefd. Hij is wèl zo verstandig het verhaal, dat binnenkort gepubliceerd zal worden, in omzichtige bewoordingen te formuleren. Voor de ‘ergste passages’ gebruikt hij citaten, uitspraken van mensen die al tweeënhalve eeuw geleden gestorven zijn. Die veilig zijn voor eventuele represailles van de Kerk.
En zo schrijft 'professor' Jan Jakob Jongen in het bulletin van de Historische Kring ‘Het Land van Herle’, in het maart-april nummer van 1953, een voor die tijd gewaagd artikel over de laatste bewoner van het kasteel. Over baron Sigismund Theodoor van Schaesberg.
Want de man intrigeert hem mateloos. Zeker nadat in 1943 de eeuwenoude grafkelder van de parochiekerk van Schaesberg werd geopend. Toen vond men de doodskist met daarin de beenderen van de laatste bewoner van kasteel Schaesberg, de stichter van de kerk, baron Sigismund Theodoor. “Het geraamte van de baron was door de buitengewone lengte te onderscheiden van dat der beide andere leden van het grafelijk geslacht, die er begraven zijn”, schrijft Jan Jakob later in een van zijn verhalen. Alsof hij er zelf bij was toen de grafkelder, voor het eerst in honderden jaren, weer betreden werd.
Laten we kijken naar het gedurfde artikel dat Jan Jakob Jongen in 1953 over de baron publiceert. In eerste instantie oogt dit verhaal nog heel lieflijk en onschuldig. Het begint mijmerend:
“Even buiten Heerlen in noordwestelijke richting verrijst in een nog landelijke, kale omgeving een indrukwekkend complex van gebouwen, het kasteel Schaesberg. Aan de voet van de heuvel, waarop het kapelletje van Leenhof staat, heeft men een mooi gezicht op het kasteel en zijn omgeving.”
Niks aan de hand, denk je als argeloze lezer. Dit wordt een romantisch, misschien zelfs melancholisch verhaal. Maar niets is minder waar, blijkt later.
Eerst beschrijft Jongen nog hoe welvarend het adellijke geslacht is dat hier woonde en dat het prachtige renaissance-kasteel ooit een centrum van macht is geweest. “Alles wat voornaam en invloedrijk was, kwam hier zijn opwachting maken bij feestelijke gelegenheden of zakelijke bespreking.” Je ziet hoe de koetsen van machtige heren en dames af en aan rijden, hoe lakeien met dienbladen in de weer zijn en muzikanten hun instrumenten stemmen.
De dood van de bouwheer van de magnifieke voorhoeve, de oude baron Johan Frederik, in 1671, brengt echter grote veranderingen. Zijn kleinzoon Sigismund Theodoor, een kind van amper 7 jaar, wordt zijn opvolger. De oude baron was een machtig man en in zijn testament roept hij het nageslacht op - nee: gebiedt hij ze - vooral 'Godvrezend' te zijn. Het Ware Geloof is hem heilig en in die geest wordt de kleine Sigismund Theodoor, door zijn moeder, in de strenge katholieke leer groot gebracht.
Om zijn opvoeding te voltooien stuurt men hem op een Grand Tour door Europa. En zo bezoekt de jongeman het schitterende en pasgebouwde paleis van Lodewijk XIV, de almachtige 'Zonnekoning', in Versailles en reist hij door naar Italië waar hij de kunstschatten van de Renaissance bewondert. In Rome staat hij in het door de Romeinse keizer Hadrianus gebouwde Pantheon, op de plek loodrecht onder de ronde opening in het midden van het koepelgewelf, waardoor het zonlicht naar binnen valt. Karel de Grote, Keizer Frederik II, Leonardo da Vinci, Louis Couperus...Het is de plek waar voor hem en na hem vele beroemdheden hebben gestaan of nog zullen gaan staan.
Na terugkomst van deze ‘wereldreis’ vestigt de jonge Sigismund Theodoor zich op het stamslot van de dynastie, het kasteel van Schaesberg. Iedereen verwacht nu dat hij zich zal wijden aan de belangrijkste taak van elke stamhouder: huwen met een adellijke dame en nageslacht verwekken. De familie Van Schaesberg heeft immers een grote reputatie als het gaat om het verschalken van schatrijke erfdochters; dankzij hun bruidsschatten zijn in de afgelopen eeuw eerst het fraaie renaissance kasteel en daarna de grote, barokke hoeve gebouwd. De Van Schaesbergs behoren tot de machtigste familieclans van de regio.
Amper teruggekeerd, zo lezen we in Jan Jakob Jongens verhaal, doet de jonge baron echter iets ongewoons: hij besluit ongehuwd te blijven en wordt zelfs kanunnik van de kathedrale kerk van Sint Lambertus in Luik. Maar hij vertrekt niet, blijft op het kasteel wonen en begint met de bouw van de parochiekerk in het nabijgelegen dorp Scheydt (dat nu Schaesberg wordt genoemd). “Hij geeft daarbij zoveel geld uit dat hij in financiële moeilijkheden komt”, schrijft Jongen en de katholieke lezers uit de vrome jaren vijftig moeten dit een nobele daad gevonden hebben: een fijne vent, die baron Sigismund Theodoor! Een echte, devote katholiek.
Jongens verhaal oogt nóg vromer als hij vertelt dat de baron in de stichtingsoorkonde van de kerk vastlegt dat hij niet alleen zal waken over het tijdelijke, maar vooral ook over het eeuwige heil van zijn onderdanen.
Tot nu toe heeft de historicus Jongen een uitermate braaf verhaal geschreven, waar niemand over kan vallen. Maar dan kruipt er een eerste addertje onder het gras. Jongen meldt namelijk dat baron Frederik Sigismund het niet zo goed met zijn onderdanen kan vinden. Dat komt, zegt Jongen, door zijn onevenwichtige natuur. “Van zijn jeugd af is hij een zonderling; hij is teruggetrokken en houdt niet van gezelschap.” Jongen vermoedt dat de baron daarom altijd ongehuwd is gebleven. “Als man leeft hij teruggetrokken op het kasteel zonder veel contact met familieleden en kennissen, alleen met zijn dienaren. De adellijke residentie, die onder zijn grootvader leven en vrolijkheid kende, wordt onder hem stil en eenzaam. Het is het herfsttij van een grootheid.”
Door toedoen van de baron verdwijnt de vrolijkheid en misschien zelfs het leven uit het kasteel.
Vanaf nu gaat Jongen los en hij beschrijft hoe baron Sigismund Theodoor zich in de wijde omtrek impopulair maakt met zijn bemoeizucht en absolutistische neigingen. Op een gegeven moment krijgt de baron het zelfs letterlijk aan de stok met de schout, de burgemeester dus, van het dorp Schaesberg. De baron scheldt hem publiekelijk uit “voor hondsvot, berehuider enzovoorts”. De man wordt met stokken geslagen en de baron dreigt hem dood te schieten. Meer incidenten volgen, waardoor de oude moeder van de baron zich gedwongen voelt in te grijpen. De conflicten worden gesust en de baron richt zich nu helemaal op het afbouwen van de kerk in Schaesberg die op 29 juni 1700 ingewijd wordt.
Maar de mentale toestand van de baron verslechtert echter met de dag, schrijft Jongen. “Hij begint tekenen van krankzinnigheid te vertonen”. Sigismund Theodoor lijdt mogelijk aan achtervolgingswaan. “Tenslotte trekt hij zich met een vertrouwde dienaar in een deel van het kasteel terug en verblijft daar wekenlang zonder enig contact met de buitenwereld.” Omdat hij bang is vergiftigd te worden, bereidt hij zijn eigen eten. “Zijn langere, magere gestalte heeft iets spookachtigs en is in staat iedereen te doen schrikken”. De man verwildert, loopt als een amokmaker door het kasteel en slaat wild om zich heen waarbij iedereen, die binnen zijn bereik komt, het moet ontgelden.
Het gedrag van de baron ontspoort nu compleet en wordt van kwaad tot erger. Als de pastoor van Schaesberg bij hem op bezoek komt om hem ertoe te bewegen een keer te biechten en naar de mis te gaan verklaart de baron “dass er seine Rechnung mit Gott schon vor lange gemacht habe” waarna hij de pastoor aanraadt “van huys te gaen, of hij soude hem met stokschlagen laten afdryven”. Dat is nog eens krasse taal die ze in de jaren vijftig, met zijn overdreven eerbied en respect voor de priesterkaste, niet gewend zijn.
Jongen beschermt zichzelf wijselijk voor kritiek van religieuze zijde door vooral de baron letterlijk aan het woord te laten. Het zijn immers zíjn woorden en niet die van Jongen.
Maar het hoogtepunt van zijn verhaal in 'het Land van Herle' moet nog komen. Jongen schrijft: “Twee paters Capucijnen, die zich bij de baron laten aandienen met de woorden “dat zij zich de eer gaven zijne Genade te komen bezoeken” scheept Sigismund Theodoor af met: “Ihr hondsvotten, scheert euch von hier”. En als zijn dienstbode bij de baron aangeeft dat ze naar de kerk wil gaan zegt hij: “Vervloek de kerk; zweer ze af!”
Zijn dit de woorden geweest van de stichter van de kerk van Schaesberg? Bij deze passage moeten, bij de vrome lezers uit die brave jaren vijftig, de haren te berge gerezen zijn.
Maar Jongen heeft nu de smaak pas goed te pakken en vervolgt: “Nog erger maakt de baron het door het altaar in de slotkapel af te breken. Hij laat het naar buiten dragen en hij helpt zo goed als kan.” De baron wil zelfs het altaar laten verbranden maar daar steken zijn knechten een stokje voor. Maar zij kunnen niet verhinderen dat hij allerlei beelden, heilige ampullen en vazen uit de kapel op de mestvaalt gooit.
Baron Sigismund Theodoor sterft op 73-jarige leeftijd op 10 november 1733 en wordt begraven in de grafkelder. Nog steeds wordt, elk jaar op 1 juli, in de door hem gestichte St. Petrus en Pauluskerk van Schaesberg een jaardienst voor hem gehouden. "Pecunia non olet".
De geschiedschrijver die hem aan de vergetelheid ontrukte, Jan Jakob Jongen, sterft precies 240 jaar later en wordt op het kerkhof achter de kerk, vlakbij 'zijn baron', begraven.
Laten we Jan Jakob, onze 'professor' dus, nog één keer opnieuw tot leven wekken:
Als Jongen in 1953 op zijn ‘Triumph Norm 6’ eindelijk het artikel heeft uitgetypt, staat hij op en krabt zich achter de oren. Is het verhaal nu af? Hij weet het niet, doet zijn jas aan en loopt naar buiten in de richting van de oude kasteelruïne. Na een stevige wandeling belandt hij uiteindelijk aan de voet van de heuvel, waarop het kapelletje van Leenhof staat. Van hieruit overziet hij de kasteelruïne en de prachtige voorhoeve met zijn drie barokke torens. Maar Jan Jakob Jongen ziet nu ook hoe van links, het gevaar langzaam maar zeker naderbij sluipt: de nieuwe Heerlense wijk Meezenbroek komt eraan. De moderne tijd is onstuitbaar.
Thuisgekomen neemt hij weer plaats achter zijn bureau, voor even maar, en typt aan het eind van het verhaal dat hij vandaag beslist wil voltooien deze woorden: "Sic transit gloria mundi!"



oooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooo






 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu